Supervisie, superbelangrijk (Column Medisch Contact)

1 mei 2019

‘De bedrijfsarts is steeds vaker een niet gespecialiseerde basisarts, en dat gaat niet altijd goed’ was de kop van een artikel in Trouw. Mijn eerste gedachte was: een bedrijfsarts is als specialist toch nooit basisarts? Maar de strekking was anders. Er kwam een mevrouw aan het woord die twee jaar lang dacht door een bedrijfsarts begeleid te zijn, maar dat bleek een basisarts.

Die had zich kennelijk al die tijd niet als basisarts bekendgemaakt, of misschien wel de verhullende term ‘arbo-arts’ gebruikt. Er ging ook nog wat fout in de advisering bij deze mevrouw. Met uiteindelijk een tuchtrechtelijke klacht tot gevolg, waarin ze gelijk kreeg. Rode draad van het stuk was dat arbodiensten (maar ook het UWV) veel basisartsen inzetten. En dat daar dingen misgaan. Er werd gemeld dat landelijk zo’n 600 basisartsen bij arbodiensten worden ingezet vanwege het tekort aan bedrijfsartsen. Dat klonk als een probleem. Maar is het dat ook? Zou die inzet van basisartsen niet mogen of kunnen?

Ik werk zelf bij een arbodienst. En daar werken naast bedrijfsartsen inderdaad basisartsen. Soms in opleiding, soms (nog) niet. Maar altijd onder een vorm van supervisie. Dat gaat gewoon over goede, verantwoorde zorg. In de setting waarin bedrijfsartsen werken, komen mensen meestal naar het spreekuur omdat er afspraken zijn tussen werkgever en werknemer over begeleiding bij arbeidsongeschiktheid. Daar zit een zekere onvrijwilligheid in. Je kiest niet zelf je bedrijfsarts, maar krijgt er één vanuit het contract dat je werkgever sluit. Dat is een kwetsbare setting die extra aandacht vraagt voor aspecten van goede zorg.

Er zijn kennelijk nog 600 basisartsen werkzaam bij arbodiensten

Natuurlijk mogen basisartsen ingezet worden binnen het werkgebied van een specialist. Sterker nog, het is de basis van een professionele leeromgeving, waarin ruimte wordt geboden om nieuwe ervaring op te doen. Ervaring die iets toevoegt aan het al bereikte kennis- en bekwaamheidsniveau. Dat gebeurt binnen de bedrijfsgezondheidszorg en binnen de curatieve sector. Die inzet moet wel goed worden begeleid en ondersteund. Juist daarom werkt de NVAB op dit moment aan een standpunt Supervisie. Aanleiding is de toenemende instroom (hoera!) van jonge artsen, aiossen en aniossen in onze sector. Daarbij bestaan er voor bedrijfsartsen nogal uiteenlopende uitvoeringspraktijken en samenwerkingsconstructies. Duidelijke kaders voor supervisie zijn dan belangrijk. Het draagt bij aan het bewaken van verantwoorde zorg èn aan goede opleidings- en ontwikkeltrajecten. De basis van dit (concept)standpunt is dat elke aios of anios die werkzaam is in ons vakgebied altijd onder een vorm van supervisie staat. De mate van toezicht is afhankelijk van de bekwaamheid van de gesuperviseerde arts, en wordt vastgesteld door diens supervisor. Dat toezicht kent een getrapt verloop bij het opdoen van meer kennis en ervaring. Eigenlijk allemaal volkomen logisch, maar in de praktijk niet altijd goed geregeld, blijkt uit het krantenartikel.

Instroom van nieuwe collega’s is in onze sector nog steeds hard nodig. Tekorten zijn voelbaar. De instroom door opleiding heeft een aantal jaren bijna stilgestaan. Die achterstand zou maar zo opgelopen kunnen zijn tot – laten we zeggen – 600 bedrijfsartsen. Er zijn kennelijk nog 600 basisartsen werkzaam bij arbodiensten. Ik zie een oplossing. Maar dan wel met goede supervisie. Superbelangrijk!

Gertjan Beens, voorzitter NVAB